De tabernakel

 

God dichtbij in de woestijn

 
Maquette van de tabernakel in de woestijn van Judea
Meer dan 3250 jaar geleden stond er een bijzondere tent in het woeste landschap van de Sinaï. In opdracht van God was deze tent gemaakt door het volk Israël dat op reis was. Ze waren door Hem verlost van de vreselijke dwangarbeid in Egypte. En nu waren ze op weg naar het land dat God hen beloofd had: Kanaän, het tegenwoordige Israël.

De tent die ze moesten maken, was bedoeld als "verplaatsbaar heiligdom" - een plaats onderweg om God te ontmoeten. Of meer nog: een plaats waar God zelf heel dichtbij wilde zijn.
Hoe die tent eruit gezien heeft, weten we niet precies. Maar aan de hand van wat in het bijbelboek Exodus erover geschreven wordt, kunnen we wel een indruk krijgen.
Op deze pagina's staat een beschrijving mét een aantal afbeeldingen.

Een prachtig huis van God
 

In hoofdstuk 25 van het bijbelboek Exodus staat: De HEER zei tegen Mozes:

"Vraag de Israëlieten mij geschenken te geven; neem van ieder die daartoe bereid is een bijdrage in ontvangst. Je moet het volgende van hen vragen: goud, zilver en koper, blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol, fijn linnen garen en geitenhaar, rood geverfde ramsvellen, vellen van zeekoeien, acaciahout, lampolie, geurige specerijen voor de zalfolie en voor de reukoffers, onyxstenen voor de priesterschort en edelstenen voor de borsttas. De Israëlieten moeten een heiligdom voor mij maken, zodat ik te midden van hen kan wonen. Ik zal je een ontwerp laten zien van de tabernakel en van alle voorwerpen die bij deze tent horen; houd je daar nauwkeurig aan".

Als je dit leest kun je je een beetje voorstellen hoe mooi de tabernakel moet zijn geworden. Maar het was dan ook het huis van God. Dat moet er wel mooi uitzien!

 

TABERNAKEL - dit woord komt uit het Latijn en betekent gewoon "tent". Maar wel een heel bijzondere tent: de verplaatsbare woning van God.
In het boek Exodus wordt de tabernakel ook wel genoemd: 'tent waarin de verbondstekst bewaard wordt' (hfdst.38 vers 21) en 'ontmoetingstent' (hfdst.27 vers 21). Dat eerste heeft te maken met de twee stenen platen waarop de Tien geboden stonden gegraveerd. Deze lagen namelijk in de ark van het verbond (wat dat is kun je op één van de volgende bladzijden lezen).
De tweede naam (ontmoetingstent) wil duidelijk maken, dat de Here God Zijn volk Israël graag wil ontmoeten. Niet dat alle Israelieten er tegelijk in konden, maar een aantal wel. 

 


Een verplaatsbaar heiligdom in de woestijn
 
De tabernakel
 
Op het plaatje hierboven kun je zien, hoe de tabernakel eruit gezien heeft: een tent met daarvoor een soort plein (ook wel: 'voorhof' genoemd). Dit werd afgeschermd door linnen doeken, die tussen palen gespannen waren. In totaal werden zo'n 60 houten palen gebruikt. De omheining was ongeveer 2,25 meter hoog.
Aan de voorkant was de ingang, ongeveer 9 meter breed. Het doek voor de ingang was gemaakt van vier soorten stof, prachtig gekleurd. Dat kun je op het plaatje hieronder zien.
De lengte van de omheining was 45 meter en de breedte ongeveer 22½ meter. 
 
De entree
De voorhof
 

In de voorhof stonden het wasbekken en het brandofferaltaar.

In hfdst.30 van het bijbelboek Exodus zegt God tegen Mozes:Het wasbekken

Maak een bronzen wasbekken op een bronzen onderstel, voor de wassingen. Zet het tussen de ontmoetingstent en het altaar en doe er water in. Met dit water moeten Aäron en zijn zonen hun handen en hun voeten wassen. Ze moeten dit doen voordat ze de ontmoetingstent binnengaan, anders zullen ze sterven. Ook wanneer ze dienst gaan doen bij het altaar en de HEER een offer gaan brengen, moeten ze hun handen en hun voeten wassen, anders zullen ze sterven.

 

Aäron was de eerste priester die werkte in de tabernakel. Hij was de broer van Mozes. Zijn zoons en later kleinzoons, achterkleinzoons enz. waren ook priester. Ze moesten schoon bij God komen. Je kunt natuurlijk niet zomaar met vieze voeten en vieze handen Gods huis binnen lopen.

Wel erg streng dat God zegt: "Als ze zich niet wassen, zullen ze sterven". Dat wordt zo streng gezegd, omdat mensen alleen maar bij God kunnen komen, als ze schoon (rein) zijn. Je kunt eigenlijk pas echt rein zijn, wanneer je zonden vergeven zijn. Daarom was het brandofferaltaar ook zo belangrijk.

 

Het brandofferaltaar

Het brandoffer-altaar is het eerste wat je tegenkomt als je de tabernakel in komt lopen. Het altaar is best groot: 2,25 meter lang en 2,25 meter breed. Op de vier hoeken zaten vier koperen hoornen. Het brandoffer-altaar werd van acaciahout gemaakt en met koper overgoten. Verder was er allerlei gereedschap om te gebruiken voor het altaar (potten voor het wegruimen van de as, scheppen, offerschalen, vorken en vuurbakken). Er was een soort hekje om het altaar heen gemaakt, als een soort tralies. En daaraan werden weer 4 ringen gemaakt en er werden draagstokken gemaakt. In het altaar zat ook een traliewerk. Je moet ongeveer denken aan een soort barbeque. Het is misschien een rare vergelijking maar daar leek het wel op. Op dit koperen brandoffer-altaar werden namelijk dieren geofferd. De mensen kwamen om een dier te slachten en te offeren aan God om zo vergeving van hun zonden te krijgen.

 

Door een dier (schaap of koe) te offeren, zeiden de Israëlieten als het ware: "Here God, ik heb spijt van mijn zonden. Wilt U mij vergeven? Dan zal het weer goed zijn tussen mij en U". En God wilde dan vast en zeker de zonden vergeven; dat had Hij zelf beloofd.

Offers brengen op een altaar, dat hoeft nu niet meer. Jezus is voor ons aan het kruis op Golgotha gestorven. Hij heeft zijn leven opgeofferd, zodat wij nooit meer offers aan God hoeven te brengen op een altaar.
Wij mogen aan God ook om vergeving vragen. Dan kan door eerlijk te bidden. En je mag zeker weten, dat God alles wat je verkeerd gedaan hebt, wil vergeven. Zo is Hij gewoon.

 

De ontmoetingstent
 De ontmoetingstent

 

De ontmoetingstent (vroeger ook wel: "tent der samenkomst" genoemd) was ongeveer 13½ meter lang, 4½ meter breed en 4½ meter hoog.
Hij was gemaakt van 48 houten planken, waar een laagje goud overheen gegoten was. Elke plank stond op een zilveren voetstuk. Aan de planken werden ringen gemaakt en daardoorheen werden dwarsbalken geschoven (5 per zijwand), zodat de planken niet zouden omvallen, maar samen een stevige wand vormden. De tent moest namelijk afgebroken kunnen worden, wanneer de Israëlieten verder zouden gaan reizen op weg naar het land Kanaän.
Aan de voorkant stonden vijf palen (ook van hout met een laagje goud). Daar werd een mooi geweven kleed voor gehangen; dit was de "deur".

Het "dak" was gemaakt van 4 kleden. Eerst een mooi gekleurd kleed van linnen. Dan een kleed van geitenhaar. Het derde kleed was gemaakt van huiden van rammen (mannelijke schapen) en het bovenste kleed waren aan elkaar genaaide zeekoe-vellen. Het zag er allemaal prachtig uit. Op het plaatje hierboven kun je dat zien.

De tent was verdeeld in twee delen. Het voorste gedeelte was 9 meter lang en 4½ meter breed. Dit wordt "het heilige" genoemd. Het achterste deel was 4½ meter in het vierkant en wordt "het allerheiligste" of "het heilige der heiligen" genoemd.

Tussen het heilige en het allerheiligste stonden vijf palen en daar was een prachtig gordijn ("voorhangsel" genoemd - het hangt ergens voor) opgehangen, versierd met drie cherubs (dat zijn afbeeldingen van engelen).

 


Het heilige
 

Het heilige

 

 

 

 

 

 

Op de afbeelding hiernaast kun je zien, dat er drie voorwerpen in het heilige stonden. Je ziet bovenin ook het prachtige gordijn (voorhangsel) met de drie engelen erop geweven; daarachter is het allerheiligste (heilige der heiligen).

 

 

 

 

 

 

 

Tafel met toonbrodenAan de rechterkant zie je de tafel met de toonbroden.
Net als de planken van de wanden en alle andere voorwerpen in de tabernakel was deze tafel van acaciahout gemaakt en met goud overgoten. Hij was ongeveer 90 cm. lang, 45 cm. breed en 70 cm. hoog. Om de tafel kwam nog een gouden rand en ook aan de tafel waren ringen gemaakt voor draagstokken. Op de tafel werden de toonbroden gelegd. Dat waren er twaalf. Voor elke stam van het volk Israel een brood.

 

De kandelaar

 

 

De kandelaar - aan de linkerkant, tegenover de tafel - was alleen van goud gemaakt. Deze kandelaar moest zes armen hebben. Drie naar de rechterkant en drie naar de linkerkant. Hoe de kandelaar er precies heeft uitgezien, weten we niet. In ieder geval werden er zeven lampen in gezet. Je kent vast het zinnetje wel: "God is licht". De kandelaar is een symbool van het licht van God.

 

 

 

Gouden reukoffer-altaar

 

 

Het gouden reukoffer-altaar was best klein voor een altaar: 45 cm. lang, 45 cm. breed en 90 cm. hoog. Dit altaar was ook acaciahout gemaakt en met goud overgoten. Op de vier hoeken werden hoornen gezet die ook van goud waren en er werd weer een gouden rand omheen gemaakt. En er werden weer 4 ringen aan vast gemaakt om de draagstokken doorheen te steken. Elke morgen en elke avond moest de hogepriester een reukwerk voor God aansteken (dat reukwerk was een mengsel van bepaalde specerijen, wierook en een beetje zout). De geur daarvan steeg op naar God. De geur stelt de gebeden van de gelovige mensen voor, maar ook de lof, dank en aanbidding van Gods volk.


Het allerheiligste
 

Het heilige der heiligen

 

Hiernaast zie je de achterste kamer van de tabernakel: het allerheiligste (ook wel "heilige der heiligen" genoemd). Om duidelijk te zien hoe dat er uit zag is de achterwand van de tabernakel even weggehaald en kijk je tegen het gordijn (voorhangsel) aan; achter het voorhangsel is het heilige met daarin de kandelaar, het reukofferaltaar en de tafel met de toonbroden.

In het allerheiligste stond maar één voorwerp: de ark van het verbond.

  

 

De ark van het verbond

 

De ark van het verbond was ook van acaciahout gemaakt. Dat is een hele harde houtsoort die oorspronkelijk uit Canada komt en veel gebruikt wordt om stoelen, banken en tafels te maken. God wilde alleen het beste voor zijn ark. De ark was ongeveer 1 meter en 15 cm. lang, 70 cm. breed en 70 cm. hoog. 

Deze houten soort kist was van binnen en buiten helemaal overgoten met goud. Het leek zo dus net een hele gouden kist. Er waren vier gouden ringen aan gemaakt en van hetzelfde acaciahout vier draagstokken met goud overgoten en door de ringen gedaan om de ark te kunnen dragen. Er was een deksel voor de ark gemaakt wat het verzoendeksel werd genoemd. Ook dit deksel was van hout gemaakt en met goud overgoten. Op het deksel waren twee cherubs gezet. Cherubs zijn engelen die in de Bijbel als wachters worden genoemd. Hoe ze er precies uitgezien hebben is niet echt bekend maar wel weten we dat ze vleugels hadden. Op het verzoendeksel moeten de cherubs hun vleugels over het verzoendeksel uitstrekken. Zo was de ark het symbool van het feit, dat God heel dicht bij Zijn volk wilde zijn.

In de ark werden verschillende dingen bewaard. De twee stenen platen waar God de Tien geboden op geschreven had, een potje met manna en de staf (een soort lange wandelstok) van Aäron (de broer van Mozes).

 

               Manna was een soort broodpoeder. God liet dat elke dag uit de hemel regenen toen de Israëlieten op reis
               waren in de woestijn. Ze konden daar brood van bakken en hadden elke dag genoeg te eten.
               Zo zorgde God voor hen.

De majesteit van de Heer
 
De wolk als teken van Gods aanwezigheid
 
In hoofdstuk 40 van het boek Exodus staat te lezen wat er gebeurde toen de tabernakel klaar was:

Toen werd de ontmoetingstent overdekt door een wolk en werd de tabernakel gevuld door de majesteit van de HEER. Mozes kon de ontmoetingstent niet meer binnengaan, want de wolk rustte daarop en de majesteit van de HEER vulde de tabernakel.
 
 
Wat moet dat een geweldig mooi moment zijn geweest. Ik stel me zo voor dat alle Israëlieten vol ontzag naar de wolk gekeken hebben en erg onder de indruk waren: "Nu hoeven we niet meer te twijfelen, maar mogen zeker weten: God de Heer laat ons nooit alleen".
 
 
Direct daarna staat er in dit bijbelhoofdstuk:
Zolang hun tocht duurde, trokken de Israëlieten pas verder wanneer de wolk zich van de tabernakel verhief. Wanneer de wolk niet opsteeg, trokken ze niet verder; ze wachtten tot de wolk weer opsteeg. Zolang hun tocht duurde, rustte overdag de wolk van de HEER op de tabernakel, ’s nachts verscheen er een vuur in, dat voor alle Israëlieten zichtbaar was.

Zo gingen de Israëlieten verder, de lange reis naar het beloofde land. En God ging met hen mee.

 
Maar hiermee is het verhaal van de tabernakel nog niet afgelopen.
Want wat is er met de tabernakel gebeurd, nadat de Israëlieten in het land Kanaän gekomen waren?
Dat lees je hieronder.

Het verhaal van een tent
 
 Het verhaal van een tent
 

Toen het volk Israël in het beloofde land Kanaän gekomen was, hadden ze zelf geen tenten meer nodig om in te wonen. Ze bouwden dorpen en steden en gingen daar wonen.
Er hoefde dus ook geen verplaatsbaar heiligdom meer te zijn.

 

 

 
Wat hebben ze toen eigenlijk met de tabernakel gedaan? Nou, dat is een heel verhaal.
De Israëlieten hebben de tabernakel in het stadje Silo (ergens in het midden van het land Israël) opgebouwd. Dat is toen een tijd het heiligdom geweest, waar de Here God vereerd werd. Waarschijnlijk hebben ze er later een stenen gebouw bijgebouwd.
 
Gebied van de FilistijnenDe Filistijnen, een vijandig volk, dat woonde aan de kust van de Middellandse Zee, hebben ooit de ark van het verbond weggeroofd en meegenomen naar hun land. Maar al gauw hebben ze de ark weer terug gebracht. God had hen namelijk gestraft door hen allerlei ellende te bezorgen (op een onverklaarbare manier waren hun godenbeelden omgevallen en ze kregen allerlei ziekten). Je kunt dit verhaal lezen in het bijbelboek 1 Samuel, hfdst.5 en 6.
Waarschijnlijk is het heiligdom in Silo kort daarna (dat is ongeveer 1050 vóór Christus geweest) afgebroken.
 
De Israëlieten hebben toen wel een nieuwe tabernakel gemaakt en die neergezet in het dorpje Nob (± 10 km. ten noordoosten van Jeruzalem). Maar de ark van het verbond was daar niet. Die werd ergens anders bewaard. Koning David heeft de ark naar Jeruzalem laten brengen en in een tent neergezet.
 
Zijn zoon koning Salomo heeft in Jeruzalem een prachtige tempel gebouwd (± 970 vóór Christus). Toen die klaar was, werd de ark van het verbond in een feestelijke optocht daarheen gebracht en in het allerheiligste van de tempel (die had dezelfde indeling als de tabernakel) neergezet. De restanten van de tent werden ergens in de tempel opgeborgen. Dat was het einde van de tabernakel.
 
In het jaar 586 vóór Christus werd de tempel in Jeruzalem door het Babylonische leger van koning Nebukadnesar in brand gestoken en helemaal afgebroken. Wat er toen met de ark van het verbond gebeurd is, weet niemand. We horen daar nooit meer niets over.
Tabernakel-12.jpg

Bijbelwoord voor vandaag