Internetpagina's van Johan Trommel

Pasfoto-JA.jpg
Pasfoto-MR.jpg

 

Weersverwachting
Jakarta
Weeronline.nl - Meer weer in Jakartaweeronline.nl Altijd jouw weer
 
 

Over bruggen en grenzen


samenvatting van het proefschrift van dominee Bas Plaisier over de communicatie van het evangelie in het Torajagebied (1913-1942)

Mythe van de hemeltrap

In de beleving van de Toraja's was de afstand tussen de goden en de mensen heel groot. Dat is echter niet altijd zo geweest. Een oude mythe vertelt, dat ooit de hemel en de aarde met elkaar verbonden waren. In die tijd hingen de stukken vlees aan de hemel en konden de mensen deze zo maar grijpen. Er was een brug tussen de hemel en de aarde, de z.g. hemeltrap (eran di langi'). De Heer van de hemel en de mensen ontmoetten elkaar regelmatig. Toen de mensen de goddelijke regels met betrekking tot het huwelijk overtraden, brak de Hemelheer de brug af en liet hem op aarde vallen. Deze brug ligt nu als de bergketen Sarira op de aarde. Sindsdien is de afstand groot.


Wederzijdse openheid

Plaisier constateert dat er een grote openheid geweest is bij de Toraja's ten opzichte van de Nederlandse zendelingen. Deze openheid was wederzijds. De zendelingen en de inheemse goeroes (deze naam gebruikt Plaisier voor de Indonesische hulppredikers en onderwijzers) wilden samen met de bevolking werken aan de opbouw van de gemeente. Dat betekent ook, dat Toraja-gebruiken en ideeën verwerkt werden in de prediking van het evangelie. Een voorbeeld hiervan is het "ombuigen" van de hierboven genoemde mythe; deze werd een vergelijking van de volmaakte harmonie bij de schepping en de zondeval van de mens.
Toch bleven de Nederlanders in de beleving van de Toraja's altijd de buitenlanders, waardoor volledige eenheid en gemeenschap niet ervaren werd. Dat vond z'n oorzaak in het natuurlijke wantrouwen van de Toraja's tegen alles wat van buitenaf komt en als bedreiging van volk en cultuur gezien werd én de houding van de zendelingen: geen vrienden, maar een zekere afstand. Hierdoor bleef het: "wij" tegenover "zij", gelovigen en heidenen, beschaafden en onbeschaafden, heer en ondergeschikte.
Dit werkte ook na het zelfstandig worden van de Torajakerk door. De Toraja's kijken erg op tegen ambtsdragers en de synode heeft veel zelfstandige macht en invloed.


De context van het evangelie

De zendelingen beschouwden de traditionele godsdienst van de Toraja's als "heidendom" of "animisme", religie van een lager niveau. Door deze visie werd niet volledig ingespeeld op de denkwijze van de Toraja's.
Al eeuwen lang leefde het besef bij de Toraja's dat de macht en invloed van de goden direct merkbaar is het leven van alledag. De zendelingen haakten daar niet adequaat op in door de overwinning van Christus op de machten, Zijn opstanding en Zijn nabijheid door de Heilige Geest te benadrukken, maar hun prediking richtte zich meer (en soms eenzijdig) op het werk van God in het verleden en het verstandelijk kennen daarvan. Daardoor kreeg "geloven" veel weg van "kennis nemen van de heilsgeschiedenis". En omdat er ook veel aandacht werd besteed aan het onderwijs - heel belangrijk voor de ontwikkeling van het individu en de samenleving - kreeg het zendingswerk vaak een schools karakter en werd het door de Toraja's onlosmakelijk verbonden met de wetenschap van de moderne tijd. Opvallend is, dat dit gegeven juist stimulerend werkte op het verlangen van de Toraja's naar vooruitgang en de communicatie bevorderde. Het zijn de Indonesische goeroes geweest en niet de Nederlandse zendelingen, die het meeste invloed hadden op de Toraja's. Zij stonden dichterbij de bevolking en hun prediking sloot meer aan bij de denk- en belevingswereld van de Toraja's.


De overdracht van het evangelie

Voor de zendelingen was het Woord van God absolute norm en leidraad. Maar ook de gereformeerde traditie had veel gezag. Toch gebeurde het, dat men geen antwoord had op bepaalde vragen. Als ‘noodmaatregel' werden de Toraja-christenen ingeschakeld bij het zoeken naar Gods wil voor het leven. De zendelingen hadden te weinig oog voor de contextualiteit van het geloof. D.w.z. zij beseften onvoldoende, dat het evangelie in een elke cultuur en tijd eigen vormen aanneemt en zo ingang vindt in het leven van mensen. Dat hadden zij van huis uit ook niet meegekregen. In het vaderland werd over het algemeen de gereformeerde Nederlandse uitleg en vertolking van de Bijbel gezien als de beste en meest zuivere.


De brug naar de cultuur

"Zoals in het Westen de kerk na Constantijn de Grote voor een groot deel de draagster van de Europese cultuur werd, zo werd na de kerstening van het Torajavolk de Torajakerk tot op zekere hoogte de draagster en behoedster van de Toraja-cultuur en -identiteit" (citaat blz.641).
De zendelingen wilden voorkomen, dat de Toraja's na hun bekering geïsoleerd raakten van hun dorpssamenleving en in sociaal, economisch of politiek opzicht aan de kant zouden komen te staan. Het ging de zendelingen erom, dat de gekerstende samenleving voortbouwde op bestaande vormen en structuren.
Om dat te bereiken hanteerden de zendelingen enkele ‘kunstgrepen':
a. men maakte onderscheid tussen het godsdienstige (verering van goden en voorouders, aluk) dat heidens was en afgezworen diende te worden en het sociale, culturele, maatschappelijke en politieke (adat) dat een christelijke invulling kon krijgen;
b. men probeerde de heidense elementen uit de rituelen te vervangen door christelijke;
c. de zendelingen creëerden een tegenstelling tussen de rituelen van de ‘dalende rook' en die van de ‘stijgende rook'.
Achteraf kan gesignaleerd worden dat de opzet van de zendelingen geslaagd is: een groot deel van de Toraja-cultuur is bewaard gebleven.
Maar het onderscheiden of zelfs scheiden van het godsdienstige (aluk) én gewone leven (adat) is voor de Toraja een onmogelijkheid gebleken, waardoor een totale verandering van de Toraja-cultuur niet heeft plaats gevonden. Dat niet het Paasfeest, maar het dodenfeest het belangrijkste feest voor de Toraja's is gebleven, is daarvan een duidelijk voorbeeld.


Emancipatie

Alle drie ‘partijen' die bij de communicatie van het evangelie in Torajaland betrokken waren, zijn erop vooruit gegaan. De zendelingen hebben door hun arbeid een hogere geestelijke en maatschappelijke positie gekregen na hun terugkeer in Nederland. Voor de goeroes betrof die verbetering vooral hun maatschappelijke plaats. Voor veel Toraja's tenslotte betekende de komst van het christendom het begin van de vooruitgang.


Het geloof van de Toraja's

De zendelingen wilden in hun contacten wel zo veel mogelijk aansluiten bij de maatschappij en cultuur van de Toraja's, maar niet bij hun traditionele geloof. Zij wilden niet dat de Toraja's hun nieuwe geloofs-inhoud inpasten in hun traditioneel religieus denken. Wanneer de Toraja's veel meer oog hadden voor de aanwezigheid van God in het dagelijkse leven en het door Hem gezegend zijn (vooruitgang, gezondheid, bevrijding van demonen) dan werd dit door de westerse zendelingen vaak gezien als oppervlakkig, materialistisch aards gezind.
Het verschil in beleving en visie op "het goddelijke" en "het profane" werkte door in de communicatie van het evangelie. De oer-gereformeerde noties van zonde en rechtvaardiging van de goddeloze werd anders opgevat. Zonde is in de beleving van de Toraja's meer "schaamte" dan "schuld", verlossing is vooral verlossing van het lijden.
De nadruk legden die de zendelingen legden op zonde en zondebesef, resulteerde o.a. in een angst om deel te nemen aan de avondmaalsviering. De doop werd vooral gezien als een overgangsrite tussen het oude en het nieuwe leven, waarbij geen grote nadruk werd gelegd op persoonlijk geloof. Het avondmaal was door de zendelingen geïntroduceerd als een heilig gebeuren, waarvoor zelfonderzoek nodig was. Vanuit de angst om zich een oordeel te eten en te drinken, kozen vele Toraja's voor de veilige weg: geen avondmaal vieren.
De Toraja's hechten meer waarde aan het gemeenschappelijk beleven van het geloof dan de zendelingen, omdat de dorpsgemeenschap van oudsher belangrijk is voor iedere Toraja; daar vond het leven plaats en werd bescherming genoten.
Ook kwam het voor dat het rituele kader waarin het leven altijd gestaan heeft, doorwerkte in de geloofsbeleving van de Toraja's. Het offer van Christus en de verlossing van de mens werden in deze kaders gezien. Ook de kerkdienst en het gebed werden bijna magische krachten toegeschreven en de status van de ambtsdragers speelde hier eveneens een rol: de eigen Toraja-ouderlingen (diakenen waren er nauwelijks) hadden minder heilbrengende kracht dan de Nederlandse zendelingen en de (opgeleide) Toraja-dominees.

De toekomstverwachting van de Toraja's kwam overeen met die van de Nederlandse zendelingen: meer gericht op het eeuwige leven bij God in de hemel dan op de wederkomst van Christus. Dit hemelse leven is van een totaal andere orde dan het aardse leven hier. Daarom werkte de toekomstvisie niet door in het leven van alledag. Een duidelijk voorbeeld zijn de bekende dodenfeesten. De zendelingen hebben geen bovendien theologische visie op de plaats van de voorouders aangereikt; daardoor bleven de feesten "ongehinderd" hun rol spelen in de christelijke Toraja-samenleving.
Hoewel het zendingswerk gereformeerd van karakter wilde zijn - en dat ook was - is het "resultaat" toch duidelijk anders dan in het thuisland. De invloed van de Nederlandse zendelingen is het best zichtbaar geworden in de uiterlijke vormen van de kerk (kerk-structuur, kerkdiensten, centrale betekenis van het Woord en de sacramenten). De Indonesische goeroes hebben met name hun stempel gedrukt op het geloofsleven en de levensstijl.


Uit dit alles blijkt wel, dat de Heilige Geest Zijn eigen weg gaat. Het Woord werkt breder (en soms anders) dan de verkondigers verwachten.

Toraja-identiteit en -cultuur

Hoewel de zendelingen van meet af geprobeerd hebben het evangelie te inplanteren in de Toraja-cultuur moet toch geconstateerd worden, dat de zending werd gezien als een schiftingsproces tussen wat voor christenen verboden en toegelaten is en te weinig als een vernieuwingsproces, waarbij de dingen vanuit de kern veranderd werden. Daardoor zijn er altijd spanningsvelden gebleven tussen de Toraja-identiteit en de christelijke cultuur.


Contextualiteit van het evangelie

De les die ds.Plaisier geleerd heeft van zijn onderzoek is deze: De invloed van de cultuur en de volks-identiteit dient verwerkt te worden bij de communicatie van het evangelie. Alleen dan kan duidelijk worden, dat het evangelie altijd in een bepaalde gedaante tot ons komt. Het is zaak de culturele eigenheden los te pellen van de boodschap van het evangelie. Zó kan Gods Woord werkelijk indalen in het leven van mens en samenleving, deze veranderen en dienstbaar maken aan de uitbreiding van Zijn Koninkrijk.

 
Opmerkelijk is, dat dr. Stefan Paas in zijn boeiende boek "Jezus als Heer in een plat land" hetzelfde bepleit. Hij schrijft: "Ons christelijk geloof is onderdeel van onze Nederlandse cultuur. Wij zijn Nederlandse christenen, geen Keniaanse of Chinese christenen. Het evangelie is echter per definitie niet een onderdeel van de cultuur (...). Strikt genomen staat ook het christelijk geloof onder kritiek van het evangelie. Tegelijk is het in zijn veelvormigheid de belichaming van het evangelie in deze wereld. In de vorm van het christelijk geloof gaat het evangelie in in deze wereld en dus ook in Nederland (...) We zouden kunnen zeggen, dat het evangelie onze cultuur binnengaat via de invalspoort van het christendom in Nederland" (blz.96-97.).
 
De schrijver (geb. 1946) werkte van 1977 - 1984 in dienst van de Gereformeerde Zendingsbond in Torajaland. De eerste vier jaren was hij docent dogmatiek en Nieuwe Testament aan de Theologische Hogeschool van de Torajakerk in Rantepao. Van 1981 - 1984 was hij medewerker van het Theologisch Instituut van de Torajakerk en gastdocent dogmatiek aan de theologische hogeschool in Ujang Pandang (Makassar). Hij was lid van de commissie die de geloofsbelijdenis van de Torajakerk opstelde.