Internetpagina's van Johan Trommel

Pasfoto-JA.jpg
Pasfoto-MR.jpg

 

Weersverwachting
Jakarta
Weeronline.nl - Meer weer in Jakartaweeronline.nl Altijd jouw weer
 
 

Mamasa en de mensen die er wonen

 
In het zuidelijk deel van het eiland Sulawesi in Indonesië wonen in de streken rond de plaatsen Rante Pao en Mamasa de Zuidelijke Toraja's. Tussen het gebied van Rante Pao en dat van Mamasa ligt een gebergte. Hierdoor heeft lange tijd een gescheiden ontwikkeling plaatsgevonden. Taal en cultuur tonen aan dat het gaat om groepen, die veel met elkaar gemeen hebben. De mensen in het Mamasagebied voeren hun wortels terug tot voorouders uit de streek van Rante Pao, waar de Sa'dang-rivier stroomt. Maar de ontwikkelingen in het Sa'dang-stroomgebied en in het Mamasastroomgebied zijn niet gelijk op gegaan. Mamasa is lange tijd veel meer geïsoleerd geweest dan Rante Pao. Vooral de koffieteelt heeft in Rante Pao al vroeg een levendige handel doen ontstaan. In het stroomgebied van de Mamasagebied werden tot voor kort weinig of geen handelsgewassen verbouwd. De mensen leefden van wat de sawah's en de tuinen opbrachten. Hierdoor is het gebied lange tijd arm gebleven en heeft zich in allerlei opzichten minder snel ontwikkeld.

Ligging van het Mamasagebied in Zuid Sulawesi

Het plaatsje Mamasa is het centrum van het bergebied van de 'kabupaten' POLMAS ( = Polewali-Mamasa), ten noorden en westen begrensd door de streken van Mamuju en Majene, ten zuiden door Polewali en ten oosten door Makale/ RantePao. Het Mamasagebied bestaat uit vier districten ('kecamatan'), nl. Mamasa, Pana', Mambi en Sumarorong.
Pas in 1907 is het Mamasagebied onder controle gebracht van de Nederlandse koloniale regering. Tot die tijd leefden de Toraja's zeer geïsoleerd. De Nederlanders hebben een smalle weg aangelegd vanuit de kustplaats Polewali door de bergen naar Mamasa.Gelukkig is de weg naar Mamasa nu wél verhard.
Na het vertrek van de Nederlandse overheid uit Indonesië is deze weg sterk in verval geraakt. In de jaren zeventig was hij haast onbegaanbaar voor auto's en moest vrijwel al het vervoer plaatsvinden met paarden.
Pas in 1982 is een begin gemaakt met het herstel van de verbindingsweg met Mamasa. Nu kan de afstand van negentig kilometer tussen Polewali en Mamasa afgelegd worden in enkele uren, terwijl niet lang geleden in dagen gerekend moest worden.
Tussen de heuvels en bergen in het gebied zijn rijstvelden, sawah's, aangelegd. De rijstbouw vormde tot voor kort het belangrijkste middel van bestaan. Nu komt daar ook de koffieteelt bij. De geïsoleerde positie van Mamasa en het belang van de rijstbouw voor de voeding hebben ertoe bijgedragen, dat het gehele godsdienstige en maatschappelijke leven hierdoor gestempeld werd.

Oorsprong van de bewoners van het Mamasa-gebied

In de verhalen, die verteld worden over de oorsprong van de bevolking van Mamasa komen vooral twee namen voor: Pongkapadang, een man afkomstig vanuit het Rante Pao-gebied, en Torijene, een vrouw vanuit de kuststreek. In deze verhalen is steeds sprake van een watervloed, waardoor geen voedsel te vinden was. Pongkapadang en Torijene ontmoeten elkaar, trouwen en krijgen zeven kinderen. Omdat er geen andere mensen oorhanden zijn moeten deze zeven kinderen zelf zorgen voor nageslacht. Na enkele mislukkingen worden uiteindelijk elf kinderen uit hen geboren, die zich verspreiden over het Mamasa-gebied en gelden als de eerste voorouders van de verschillende families. Aan dit oorsprongsverhaal is ook verbonden een verhaal over het verkrijgen van de eerste rijstsoorten, het leren kennen van de pinangbladeren en het maken van vuur.

Oorsprongsverhaal bewoners van het Mamasagebied

"Torijene en Pongkapadang" (verteld door een oude man: Pampangkaraeng)
"Tijdens de grote overstroming strandde de boot van Nenek Torijene. Zij zag dat haar boot vast zat op de top van een Waringinboom. Torijene daalde af naar de grond. Op de grond vroeg ze: "Hoe komen we nu aan vuur?" Ze hoorde een stem: "Laat een bamboe draaien; laat een bamboe rondtollen". Zij nam een stuk hout, maakte er een gat in, draaide hout erin, en er kwam vuur. In het vuur viel wat hout. Er kwam rook. Ze zei: "Misschien zijn er die de rook zien, als ze ook gestrand zijn met hun boot. Misschien hebben ze eten bij zich, want wij hebben niets".
Op dat moment keek Arruan Malillin vanaf de top van de berg de Mambulillin. Zij zag de rook in de verte bij Buntu Bulo. Zij vertelde het aan haar oudere neef, Pongkapadang, die vanuit het Sa'dang-gebied hier naar toe was gereisd om een nieuw jachtgebied te vinden. Pongkapadang vertrok. Maar voordat hij van de berg de Mambulillin vertrok moest hij daar zijn nicht begraven, die plotseling zwaar ziek was geworden. Toen ging Pongkapadang in de richting van de rook die hij in de verte zag.
Hij kwam bij Nenek Torijene. Ze zei: "Ben je daar? Ik heb vuur, maar geen eten". Hij antwoordde: "Nee, ik heb geen eten bij me", Pongkapadang trok nu een tak van een boom naar beneden. Het was een sirihboom. Hij likte eraan. Het uiteinde was lekker. Torijene nam het en vond het lekker. Ze sneed de bladeren in stukjes en kauwde erop. Ze zei: "Hierdoor kunnen we in leven blijven ". Ze maakten er een hutje. Er kwam een vogel, een "tiku'-ti-ku"', die ergens een rijsthalm had geplukt. Hij schrok en liet het vallen.
Er kwam daarna een andere vogel, een "angin-angin", die ook een rijsthalm liet vallen. Zo ook een "serre'-sene", een "tumimmi", een "tuwiwi", een "bukku"', een "dangan-dangan": samen lieten ze zeven rijsthalmen vallen. Ze kwamen terecht in modderkuilen. De rijst groeide en droeg vrucht. Ook Torijene kreeg een kind, een jongen. Die pelde de rijstkorrels met zijn tanden, deed ze in een stuk bamboe en hield het boven het vuur. Torijene kreeg nog zes kinderen, allen meisjes. Die zeiden: "Er zijn geen anderen hier. Hoe moeten wij nu kinderen krijgen?" Het oudste meisje sliep bij haar oudere broer. Maar hun kind werd dood geboren. Toen sliep het tweede meisje. Er gebeurde hetzelfde. Zo ook bij de derde. De vierde kreeg een mismaakt kind: zonder hoofd en zonder voeten, dood. Pas bij de vijfde bleef er een kind leven, terwijl een ander kind dood ging. Pas bij het zesde meisje ging alles goed. Zij kreeg elf zonen. Zij werden de stamvaders van de Toraja's in het Mamasagebied".

De naam Mamasa

De eerste bewoners, die zich vestigden in het dal van de Mamasa-rivier stonden, volgens de verhalen, versteld van de grote hoeveelheid jachtwild, dat bemachtigd kon worden en vooral de vele waterslangen die in de rivier konden worden gevangen. Dit bracht hen ertoe te zeggen dat deze streek en deze rivier "lief voor hen was. Het Mamasa-woord voor lief is mamase. Mamasa is dus van oorsprong een gebied, waar de mensen een overvloed van voedsel vonden. Hier kon de bevolking het snelst tot ontwikkeling komen. Hoewel het oudste adat-centrum ligt in Tabulahan, drie dagreizen van Mamasa, is toch de hele streek genoemd naar de naam die de Mamasarivier heeft gekregen: Mamasa.

Bron: Dienen wereldwijd, 25 jaar Deputaten Hulpverlening in Binnen- en Buitenland van de Chr.Geref.Kerken in Nederland, Veenendaal, 1994